Blog

10 april 2020 – “RINGLEIDER GEEF ONS EEN TEKEN”

Er circuleert een bericht dat Hans Verhagen is overleden. Geen idee hoe betrouwbaar dat bericht is, en of zijn mogelijke dood iets met Corona van doen heeft. Volgens mij ging het al een tijdje slecht met hem.

Het is te hopen dat de postume aandacht enigszins in de buurt zal komen bij die welke Deelder ten deel is gevallen. Ik verwacht overigens van niet. Net op Facebook het begin van “Walhalla” onder een post van Poetry International geplaatst om mijn steentje bij te dragen aan de op te richten zuil (hij blijft toch één van de dichters die me aan de haren de poëzie hebben ingetrokken).

Ter markering ook hier een gedicht, “Azalea”, het eerste gedicht uit Moeder is een rover, en waarmee mijn liefde voor Verhagen begon:

“Die het kwade spreken krijgen steeds meer te vertellen

in dit ondermaanse licht ontleend aan schaduwen

andere de vingers breken tot ze niet meer meetellen

om ooit de sultans ezel voor zich uit te mogen duwen

Keldert het vertrouwen in de voortplanting, drommen

er wel pap van lustende van onder gladgeschorenen

zich bescheurend samen voor een pas op!

slipgevaar-party!

Een tafereel als dit wordt gebillijkt als bevorderend

de doorstroming van open deuren;

de gezworenen van de geheime kerk

daarentegen kicken op opeenhoping en stremming

met behoud van volop delfsblauw aardewerk

Toezien hoe het bitterzwarte hart van de fonkelzieke

gele zachte Indonesische azalea

almaar witter wordt is, na een uurtje graaien

naar elkaars stiletto’s, wespentailles, bezemstelen

scheefzakkende grenspalen, voor de kinderen

geen fun meer

Als ze bovendien, omdat ze immers

nog geen schaamhaar hebben, geen acute paranoia

krijgen, maken ze rap rechtsomkeer”

21 maart 2020 – ANALOOG LIVEBLOG BIJ EEN DIGITALE PRIJSUITREIKING

15:38 – Eén van de door Corona afgelaste evenementen waarnaar ik had uitgekeken: festival Prijs de Poëzie, waar zowel de beste bundel van 2019 bekroond zou worden als de prijs van De Gedichtenwedstrijd zou worden uitgereikt. Het eerste evenement is naar 30 maart verschoven, en als noodoplossing worden de winnaars van De Gedichtenwedstrijd straks (om 16 uur) via livestream bekendgemaakt.

Ikzelf ben genomineerd met het gedicht “Veinzen veinzen”. Dat ik zal winnen acht ik uitgesloten. Ik beschouw het al niet als het beste gedicht waarmee ik deelnam (als ik het slecht had gevonden had ik het natuurlijk niet ingezonden, maar toch), en het verbleekt bij de inzendingen van een aantal van de andere genomineerden.

Gister de bundel Een geluk als nieuwe wijn geschonken in tweevoud de bus gekregen, met daarin alle gedichten uit de Top100. Gisteravond in het boekje begonnen, en het zojuist na thuiskomst van werk op de valreep uitgelezen. Hier en daar een plusje of minnetje onder de gedichten geplaatst, af en toe een uitroepteken.

Eerste indruk: de onmogelijkheid om zo veel verschillende gedichten goed de beoordelen. Juist de meest waardevolle gedichten leer je pas waarderen wanneer ingebed in een reeks gelijksoortige gedichten. Elk (vooral uitzonderlijk) gedicht moet je toch op zijn eigen merites leren lezen: in de juiste sfeer en toon komen, de werkzame mechanismen doorgronden – dat wat Pound “the elegant solution” noemde. Dat gaat al met al organischer binnen met een bundel of cyclus.

Andere indrukken: veel goede gedichten besmet door clichés, of op de valreep verneukt door semi-filosofische besluitende regels.

Desondanks veel dat ik erg goed vond.

Mijn favoriet is “Richtlijnen voor de koolstofdioxide-uitstoot tot 2030” van Alexander van der Weide, met de slotregels (inclusief een verwijzing naar Kouwenaar?):

“Ik zit in een najaarstuin, de wind trilt

zachtjes in de grassprieten, er zijn goddank nog vogels

met hun dagboekfragmenten.

Het is een voorrecht een snijpunt te zijn

tussen hopeloosheid en een perzikroze avond.”

Dat hij ook daadwerkelijk zal winnen betwijfel ik overigens. De Top100 telt namelijk belachelijk veel gedichten over de milieuproblematiek – en dat biedt toch de context waartegen je elk gedicht afzet.

Daarom ook nog wat schaduwfavorieten, in semi-hiërarchische volgorde:

“Meerkleurig is duurder en de burger betaalt” van Babeth Fonchie Fotchind (met de openingsregel: “Hok A8.014 is ingericht met fujitsu’s, onbreekbare blokkerglazen met koffieaanslag versierd”);

“De American Supremacy Dream dromen” van Yannick Van Puymbroeck (kermis in taal over een gecrowdfund verblijf op planetoïde “zappafrank”, dat me een beetje deed denken aan het werk van Peter Holvoet-Hanssen);

“De begrafenis” van Alara Adilow (“kneep een gebed uit mijn adem” en “We hopen dat wij op een dag / de hemel mogen opensnijden / als de buik van een boeman / en al onze naasten die wij missen / er verrast uit zullen vallen”),

“Neerslag” van Femke Zwiep (met de wrang-komisch strofe: “op een netwerkborrel van een Vlaams literair tijdschrift / hang je aan de lippen / van jonge mannen / die ondefinieerbare relaties hebben met betere dichters, / vrouwen, iemand zegt dat iemand / mijn naam heeft opgeschreven / we blijven langer dan gepland”);

“Schildwachtklierstappenplan” van Marianne Geboers (ook omdat het het kankertraject van mijn pa illustreert);

 “Brief uit de Oost” van (de?) Robin Block; 

“De as Brussel-Oostende” van iemand die onder het pseudoniem Ekster schuilgaat (en waarachter zomaar eens Delphine Lecompte zou kunnen grijnslachen, in elk geval iemand die haar goed geeft gelezen);

En “Zeepaardje” van Nico Carlier.

De livestream is inmiddels aan het aftellen. Er kijken 102 mensen naar de stream. Waarschijnlijk alle genomineerden en een paar buiten de boot gevallen maar nieuwsgierige inzenders. Ik houd mijn aantekeningenboekje in de aanslag.

16:04 – Na een korte introductie valt men met de deur in huis. De derde prijs gaat naar mijn favoriet: Alexander van der Weide. Opvallend: men is bij een bos bloemen en camera bij hem langsgegaan; hij draagt zijn gedicht as we speak voor. Alle genomineerden weten nu dus al of ze wel of niet in de prijzen zijn gevallen.

Toch schakelt niemand uit teleurstelling weg. Of wacht: de teller daalt naar 93 – maar stijgt direct daarop naar 103. Bij nader inzien zullen de kijkers bestaan uit de inzenders en vrienden of familie van de winnaars.

16:09 – De tweede plaats is voor mij een verrassing: De broer van Jorrit-Pieter van der Heide. Leuke uitschieters en opmerkingen, maar ook nogal flauwe kunstgrepen als “op klaar / licht / een dag te worden.”

Ik zal het straks met nieuwe ogen proberen te lezen.

16:16 – En de eerste plaats gaat naar [roffel hier op de rand van je bureau] Yannick van Puymbroeck. Voor mij lang niet zo’n verrassing als de tweede plek, maar gecombineerd met de anderen uit de top drie wel een goede illustratie voor waar de jury naar op zoek was: absurdisme, humor, doorbroken metrum, afwijkende syntaxis, breed uitwaaierende regels.

Yannicks voordracht doet de vergelijking met Holvoet-Hanssen wat teniet, maar het gedicht wint wel aan kracht.

16:22 – En de prijsuitreiking is alweer voorbij. Lang niet de compensatie voor het geplande evenement – maar wat wil je.

Later terug met nieuwe indrukken.

17:39 – Geprobeerd wat andere gedichten van de prijswinnaars te traceren. Helaas werd ik telkens van internet geflikkerd. Als ik er eens doorkwam stuitte ik vooral op links naar de uitslag van De Gedichtenwedstrijd, anders op Facebookpagina’s e.d. In elk geval niets dat de prijswinnende gedichten een context kon geven om de werkzame mechanismen beter te doorgronden.

Die prijswinnende gedichten wel herlezen, en eigenlijk kan ik me wel vinden in de uitslag.

Alleen het gedicht van Jorrit-Pieter van der Heide blijft me wat duister, zo niet qua werkzame mechanismen dan wel qua inhoud. Dit lijkt ook zijn intentie. In het filmpje dat op de prijsuitreiking werd getoond verkondigde hij (naast het onbeschroomd hengelen naar een uitgever – hoe kan je het hem kwalijk nemen) dat degenen die het gedicht kan ontraadselen een zesmaands verblijf van hem cadeau krijgt of iets dergelijks, maar dat dit toch niemand zal lukken.

Mogelijk valt er helemaal niets te ontraadselen. Toch lijken zijn woorden een oproep, slechts iets meer verhuld dan zijn oproep richting uitgevers, dus hier gaan we.

Allereerst de leuke uitschieters en opmerkingen waarover ik het eerder had, en die me direct wat zeiden, bijvoorbeeld: “vrouwen mochten met mannen alleen in bepaalde ateliers neuken”.

Ik zou zeggen: dit slaat op de jaren 50, waarin iedereen kuis was, en er alleen in kunstenaarskringen een voorschot werd genomen op de jaren 60.

Ondanks de verdere implicaties is dat nog redelijk helder. Soms echter wordt er door de afzonderlijke zinnen heen gedicht, vormt het besluit van de ene zin het begin van de andere. Ter illustratie: “nu lees ik klassieke muziek maar dan in een ander tijdschrift dat voor me ligt lees ik” etc.

Ander mechaniek: opgebroken regels die de gang van het bewustzijn van de ik-persoon imiteren, zoals: “duwt iemand mij / Lig omver”. Voordat je het probleem kunt formuleren is het noodlot al voltrokken – iets wat ook op het dichten zelf lijkt te slaan.

De regel vervolgt met: “en verdring dit met gedachtes over hoe tafelzout is ontdaan van alles behalve smaak.”

Het waarderen van de wereld via een afgeleide. Het lijkt te impliceren dat de ik de wereld alleen via taal kan waarderen. Of, concreter: de zee en al het bijkomende als vakanties en zondagen in Zandvoort via tafelzout, of klassieke muziek via een tijdschrift (“dat voor mij ligt lees ik dat het niet om de artikelen gaat, maar om het nut van een juiste smaak” – en smaak vormt slechts een fractie van de beleving, iets wat je volgens mij kunt doortrekken naar zintuiglijkheid.

“nu hoor ik klassieke muziek, maar dan in een ander”.

De ik luistert klassieke muziek niet voor zichzelf, maar om bij de ander in de smaak te vallen. Hijzelf voelt zich een hippie in de jaren vijftig, iemand die zijn tijd vooruit is en zich onttrekt aan de heersende smaak. Daar lijkt het voor nu in elk geval op.

Een ogenschijnlijk ander lijntje: “de koffie kleurt inmiddels rood en op een schaal van 1 tot Antwerpen zijn twee witte strepen gelegd om zo de wegen terug te vinden en oh, waar de maan zich momenteel bevindt, vloog ooit mijn broer.”

Als het gedicht inderdaad een reflectie op het dichten zelf vormt, en het dichten gelijkstaat aan koffiedrinken (uit het filmpje: ‘Ik doe de hele dag niets anders dan koffiedrinken en gedichtenschrijven.’), dan is Jorrit-Pieter van der Heide via het dichten bij een bloederig moment aangekomen, mogelijk de dood van de broer uit de titel, al dan niet verongelukt toen die met de auto naar Antwerpen trok: 1 op de schaal is thuis, veilig; aan het andere eind van de schaal ligt de dood (door zelfdestructie). Met het dichten drinkt hij die dood steeds meer in, wordt hij steeds meer een afgeleide van dat ongeluk, zoals het licht van de maan het afgeleide van de zon is – en in dat aan de zon ontstolen licht zou de broer ook op de reflectie of het alter-ego van de ik kunnen duiden.

Of, minder direct: twee witte lijnen vormen de grenzen van het gebaande pad, en leiden naar een bohemienbestaan in Antwerpen (of ruimer genomen: het zuiden). Wijk je te ver van de witte strepen af, dan zal je de weg naar huis (het veilig) niet meer terug kunnen vinden, raak je ontspoort. De twee witte lijnen zouden ook zomaar op coke kunnen duiden, maar nu interpreteer ik misschien wat al te vrij.

Het gedicht biedt hoe dan ook voldoende aanknopingspunten om het slechten van de aangegeven grenzen van de ik/taal/maatschappij als voornaamste thema te kunnen identificeren. Er spreekt een duidelijk noodzaak uit het gedicht daarbuiten te treden, zowel binnen het dichten als in het leven, waartussen binnen de context van “De broer” geen onderscheid lijkt te bestaan. Vrouwen die alleen in bepaalde ateliers mochten neuken slaat mogelijk ook op dichters die zich aan bepaalde conventies houden – vrij binnen een opgelegd stramien.

Overigens is het gedicht volledig doordrongen van de risico’s die aan zo’n bestaan buiten de geijkte grenzen kleven (dood in Antwerpen, in het duister tastende lezers). Die risico’s ten spijt is het zo “dat alles uit de bocht een ander leven leert”. Vlieg je uit de bocht dan vlieg je buiten de grenzen van het zelf, leer je een ander bewustzijn kennen (the doors of perception). Op metaniveau: dicht je door de gangbare grammatica heen, dan kom je uit bij een onbekend deel van een bewustzijn, iets dat je niet als jezelf zal herkennen, je metaforische broer is. Zoals het gedicht opent: “dit is een nieuwe compositie.” Het Ik is opnieuw gecomponeerd.

Tot zover mijn interpretatie. Ik ben me er overigens van bewust dat die waarschijnlijk meer over mezelf dan over het gedicht zegt, want: “het schilderij is zowel nuttig als niet maar verwar dit met jezelf en alles wat er niet in zit, / komt er vanzelf uit.” En, de slotregels: “hij is eindelijk zover gekomen dat iedereen kijkt / alsof we elkaar eerder ontmoet hebben.”

18:42 – Okay, dat lijkt me wel even genoeg poëzie voor vandaag.

Aan Jorrit-Pieter: laat maar weten wanneer/hoe/of we mijn beloning gaan regelen. Aan de rest: tot volgend jaar.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *